In 1967 schreef de Franse filosoof Guy Debord het boek ‘De Spektakelmaatschappij’, waarin hij felle kritiek uitte op de consumptiemaatschappij, omdat het authentieke leven in zijn optiek was vervangen door beelden en schijn. Zijn werk en denken had grote invloed op de ‘Beweging’ die eind jaren zestig in Europa zowel afstand nam van de gevestigde, conservatieve politiek, als van de op ‘vertegenwoordiging’ georiënteerde sociaal-democratie en het communisme. Hij zag meer heil in ‘directe’ democratie. Ook wel ‘anarchisme’ genoemd, in haar uitwerking als een a priori niet-gewelddadige bestuurlijke cultuur, waarvoor vele namen werden bedacht in die tijd. Zelf zag ik er ook wel heil in, maar nog in de jaren zeventig sloeg bij mij de twijfel toe. De kritische succesfactor was dat je te maken moest hebben met een ruime meerderheid aan redelijke, weldenkende mensen, die oplossingsgericht dachten.
In de praktijk genereerde het echter ‘klimaatdrammers’ die premier konden worden, en haters zonder aanleg voor diplomatie die op de post van minister van buitenlandse zaken belanden, terwijl lokale bestuurders zich weinig of niets gelegen lieten liggen aan wat de mensen in dat dorp, die gemeente, die plaats of provincie in meerderheid wilden, of de logische argumenten die ze aanvoerden. Echter, en dat is wel iets om serieus bij stil te staan, lukte het in ons eigen land wel om de welvaart en het welzijn naar een hoger niveau te tillen, *terwijl* we de productie van goederen in de ban deden, en ons nagenoeg geheel toelegden op consumptie van goederen en diensten. In theorie kan dat niet werken, tenzij producenten elders bereid zijn jou te leveren wat je nodig hebt, feitelijk zonder tegenprestatie. Maar dan belanden we in feodale structuren, en dat kan nooit lang goed gaan.
Op zich werd dat ‘denken’ van Debord, maar ook van mijzelf, gedreven door het besef dat automatisering leidde tot productieverhoging per werknemer, waardoor er steeds minder werknemers nodig waren om aan de vraag te voldoen. Dan kon je genoegen nemen met grotere werkloosheid, en grote groepen die als gevolg daarvan geen betaalde arbeid hadden, en het moesten stellen met wat er aan sociale voorzieningen beschikbaar was, of je kon het ‘schaarse’ werk beter spreiden, wat in de praktijk leidde tot ‘nivellering’. Of je kon goederen en ‘diensten’ gaan produceren waar eigenlijk niemand op zat te wachten, en zonde van de schaarse grondstoffen, en de energie, alsmede onze eigen ‘quality time’. Pure verspilling.
Toch werd het dat laatste. Sterker nog, zelfs mensen die in de jaren vijftig en zestig nog overwegend ‘thuis’ zaten, om voor de kinderen te zorgen, boodschappen te doen, te wassen en te koken, vooral vrouwen, werden aangespoord om betaald werk te zoeken, zodat ze de mensen konden betalen die deden wat zij daarvoor zelf zonder formele vergoeding deden. En we noemden het ‘progressie’. Ik zag het meer als ‘bezigheidstherapie’ die verantwoordelijk was voor gigantische verspilling. Zonder overigens het standpunt te betrekken dat vrouwen maar één recht hadden, en dat was het ‘aanrecht’. Noch had ik grote behoefte om mensen te *verbieden* om ergens carrière te maken, indien dat evident bijdroeg aan hun levensgeluk. Wel waarschuwde ik zelf destijds al dat er vervelende kanten aan zaten, zoals een prijsopdrijvend effect in de woningmarkt, en in andere sectoren, waardoor we gaandeweg terecht zouden komen in een situatie waarin niemand het zich nog kon *veroorloven* om te leven zoals de ‘vrije burgers’ in de voor ons liggende eeuwen als ideaal hadden, en wat de arbeidersbeweging had gestimuleerd om te vechten voor een groter aandeel in de opbrengst van wat zij met hun arbeid hielpen produceren.
De door mij frequent bekritiseerde ‘Service Maatschappij’ was, ironisch genoeg, deels het gevolg van het streven naar meer ‘directe’ democratie, in die zin dat het leidde tot een totale wildgroei aan bestuurlijke lagen, gesubsidieerde bemoeizucht, en academies vol ‘experts’, alles betaald door de gemeenschap, die via hun instituten het benodigde geld binnenharkt door producenten die hun goederen aan ons leveren te trakteren op kosten. Niet slechts een weelde aan verschillende vormen van belasting, die tussen de producent en de consument in staan, en er voor zorgen dat de prijs van het product spectaculair stijgt alvorens het de consument bereikt. Maar tevens door een spinnenweb aan constructies in de ‘bankenwereld’ die de producent opzadelen met rente en aflossing, en ‘aandeelhouders’ die allemaal meeprofiteren, zonder iets te hoeven doen. Een systeem dat dreef op het gegeven dat er in de wereldhandel slechts enkele ‘munten’ werden geaccepteerd om rekeningen te vereffenen, met steeds ‘onze’ banken die kosten en rente in rekening brachten.
In ons deel van de wereld waren er feitelijk twee stromingen die zich bewust waren van de kwetsbaarheid van dat NeoFeodalistische systeem, waarin Westerse landen functioneerden als de ‘Geldadel’. Enerzijds mensen die propageerden dat we met grote voorrang de consumptie terug moesten dringen, in het bijzonder van spullen die we niet nodig hadden, om uitputting van de aarde te voorkomen, en te verhinderen dat schaarste ons zou inspireren tot iets in de geest van de ‘Hunger-Games’. Anderzijds mensen die propageerden dat we op zoek moesten gaan naar nieuwe ‘wingebieden’ voor grondstoffen, innovatieve manieren om energie op te wekken, en juist vol gas moesten geven om menselijke arbeid uit te bannen, bij gelijktijdige versterking van het sociale fundament. Ik bevind mij in die tweede groep, zonder de ogen te sluiten voor het grote gevaar van spilzucht, en het risico dat we terechtkomen in een strijd van iedereen-tegen-iedereen op jacht naar (de controle over) de schaarse grondstoffen.
De gruwelijke realiteit is dat we in het Westen nu opzichtig oorlogen ontketenen tegen ‘grondstofrijke’ landen, *terwijl* we middels ‘regelgeving’, sancties en kostenverhogende maatregelen andere volkeren hun toegang tot welvaart en welzijn proberen te ontfutselen. We hebben absoluut geen problemen met het scheppen van de condities voor ‘Hunger Games’ in de wereld. In Cuba, Iran, Rusland, China, Oekraïne, Venezuela, India, Irak, Syrië, Libië, en zelfs niet in Europa als Rusland, China en Iran koppig standhouden. En al het geld dat *had* moeten gaan naar innovatie die uiteindelijk zou leiden tot een afnemende vraag naar menselijke arbeid over de hele linie, wordt beperkt tot wat een kleine elite nodig heeft om het zonder ons te kunnen stellen. En daar werken we aan mee! Hoe is dat in Godsnaam mogelijk? ‘Wat zat er in die vaccins’, vroeg ik al eens min of meer schertsend, omdat ik er met mijn hoofd niet bij kan.
Tegelijk constateer ik dat, ofschoon we niet massaal in opstand komen tegen deze ontwikkelingen, en apathisch kennis nemen van alle oorlogshandelingen die uit onze naam gehakt maken van de geciviliseerde wereld, je niet kunt zeggen dat we gretig instemmen met de creatie van een wereld waarin u en ik niks meer zullen bezitten, en ook geen waarde meer hebben voor de ‘eigenaren’, de elite, of het moest zijn als iets waar het Netwerk rond Epstein nu voor in de schijnwerpers staat. Het lukt ons alleen niet om de handen ineen te slaan en ons ertegen te verzetten. Dat vind ik fascinerend. Hoe een vorm van wat Karl Marx aanduidde als ‘warenfetisjisme’, bij ons aangevuld met ‘dienstenfetisjisme’, ons tot makke schapen reduceert die, met ons ‘schermpje’ in de hand, richting de ondergang voert. Consumerend wat beschikbaar is. Scrollend tot we iets vinden wat ons boeit. Tot het verveelt.
Jetten als ‘klimaatdrammer’, en Sjoerdsma op ‘buitenlandse zaken’ gaan ons gegarandeerd ‘spannende avonturen’ laten beleven die klauwen met geld kosten, en ons dichter bij het ideaal brengen van een wereld waarin wij niks meer bezitten, en ons leven zinloos is, waar iedere zingeving uit is gesloopt, met louter hypes, leugens, beelden en prikkels die samengenomen het kader vormen van een gehoorzaamheidstest. Nee, die oorlog met Iran (en Rusland en China) gaat niet over het atoomprogramma van dat land. En ja, die oorlog met Rusland op haar eigen grondgebied, en dat van Oekraïne, gaat over gebiedsuitbreiding van de NAVO en de EU waarbij geweld niet wordt geschuwd, teneinde de controle over de grondstoffen in de wereld te bemachtigen. Zodra de robots zover zijn dat ze het van ons over kunnen nemen, zijn die hypes, leugens, beelden en prikkels die van ons gretige cheerleaders maken niet meer nodig, maar wat rest ons dan nog, behalve de ‘Hunger Games’?